20 september 2018 om 12:59

Hoe zit het nu met al die dyslexieverklaringen?

Mocht u enige affiniteit hebben met dyslexie of noodgedwongen met dyslexie in aanraking zijn gekomen, dan zal het u misschien ook verbazen hoe vaak dyslexie onder de aandacht komt in de media.
Meestal gaat het dan over de vele dyslexieverklaringen of de hoge kosten die ermee gemoeid zijn. Helaas heeft deze informatie vaak een negatieve lading.
Hoog tijd om uit te leggen hoe nu zit met de vele dyslexieverklaringen!
 
Ik moet dan beginnen aan u uit te leggen hoe het zit met de prevalentie.
Prevalentie betekent de procentuele kans die iemand heeft om als dyslectisch aangemerkt te worden. De normen die hiervoor worden vastgesteld, zijn bepaald op ervaringen uit het verleden in combinatie met wetenschappelijk onderzoek.
 
In Nederland heeft professor Blomert in 2002 in opdracht van het College voor Zorgverzekeringen een nationale prevalentiestudie uitgevoerd.
Op grond van deze gegevens werd de prevalentie van ernstige lees- en spellingproblemen aan het einde van de basisschool geschat op 9%, waarvan 40% dyslexie (60% van de 9% heeft dus ernstige lees- en spellingproblemen die niet zijn toe te schrijven aan dyslexie).
Dit komt neer op een prevalentie van 4% van dyslexie. Dit kwam overeen met een eerdere schatting van de Gezondheidsraad.
 
Ik kan me voorstellen dat het u nu begint te duizelen.
Wat wordt bedoeld met 40% dyslexie en 60% andere problemen? Wat zijn dit dan voor problemen en hoe herken je die?
Dit geldt aan het eind van de basisschool. Hoe zit het dan in het voortgezet onderwijs? En bij adolescenten en volwassenen?
Er wordt gesproken over ernstig. Kennen we dan ook minder ernstige vormen van dyslexie of lichte vormen?
Hiermee komen we tot de kern van de zaak: definiëring!
Zolang wij geen overeenstemming hebben over de definities, zal de media dit aangrijpen om haar eigen verhaal te schrijven, die dikwijls niet overeenkomt met de wetenschappelijke basis. In de rest van mijn verhaal zult u merken dat onduidelijke definiëring nog veel verder gaat dan hierboven beschreven.
 
In 2009 is er een vergoedingsregeling ingevoerd voor diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie. De vergoeding werd ondergebracht in het zorgverzekeringspakket. Vanaf 2015 is deze vergoeding overgeheveld naar de gemeentes.
Binnen de Ernstige Enkelvoudige Dyslexie is de prevalentie als volgt samengesteld: 7% van de basisschoolkinderen komt in aanmerking voor aanmelding voor deze regeling. Op basis van het dossier dat school hiervoor moet aanleveren, komt een aantal van deze kinderen niet in aanmerking voor de vergoeding van het dyslexie onderzoek (uit het dossier blijkt dan dat het niet ernstige genoeg of niet enkelvoudig is). Dit betreft 2%. 5% Komt dus in aanmerking voor een dyslexie onderzoek. Na afloop van dit onderzoek komt een kleine groep kinderen ook niet in aanmerking voor vergoeding van de behandeling (1%). Dit is weer de groep kinderen waarbij in het onderzoek blijkt dat het niet ernstig genoeg of niet enkelvoudig is. Enkelvoudig betekent in dit verband dat er geen ander probleem mag zijn waar de problemen uit voortkomen (bijv. autisme, ADHD of een ander taalprobleem). Uiteindelijk komt dus 4% van de kinderen in aanmerking voor een vergoede behandeling.
 
De vraagt rijst hiermee of we dan ook kunnen concluderen dat 4% van de Nederlandse bevolking recht heeft op een dyslexieverklaring? Of dyslectisch is?
 
U raadt waarschijnlijk al dat hiermee de definiëring in het geding komt.
Als de dyslexie niet ernstig is, kan iemand dan geen dyslexieverklaring ontvangen?
En als het niet enkelvoudig is?
En hoe zit dit dan bij personen die niet meer tot het basisonderwijs behoren?
Over al dit soort zaken bestaan er ook onder de deskundigen meningsverschillen die voor een groot deel zijn toe te schrijven aan gebrek aan definiëring.
 
Mocht u als deskundige dit blog tot u nemen, dan wil ik hierbij ook nog het zogenaamd Dyslexietyperend Cognitief Profiel vermelden. Dit betreft een diagnostisch profiel waaraan de mogelijke dyslect binnen de Ernstige Enkelvoudige Dyslexie moet voldoen om tot een positieve indicatie te komen. Dit profiel is in het leven geroepen door professor Blomert tijdens de invoering van de vergoedingsregeling in 2009. Dit profiel zou ervoor moeten zorgen dat het aantal indicaties Ernstige Enkelvoudige Dyslexie binnen de gestelde prevalentienormen zou blijven en dus ook de kosten binnen de geschatte grenzen zouden blijven. Of dit profiel daarvoor zorgt is de vraag, de meningen wisselen hierover.
Ook op inhoud zijn de meningen wisselend of dit profiel wel voldoende de echte dyslect typeert. De laatste tijd gaan er steeds meer stemmen op om meer afstand te gaan nemen van dit profiel.
Hoe dan ook, dit uitgangspunt roept natuurlijk ook direct de vraag op wat we met dit profiel aan moeten bij die kinderen die niet in aanmerking komen voor de vergoedingsregeling en dus ook niet behoren tot de prevalentienorm van 4%. Bij kinderen, adolescenten en volwassenen die buiten de vergoedingsregeling vallen wordt zeer regelmatig het Dyslexietyperend Cognitief Profiel buiten beschouwing gelaten of maar gedeeltelijk onderzocht.
 
Daarnaast speelt een perverse financiële prikkel nog een belangrijke rol in het opstuwen van het aantal dyslexieverklaringen. Zolang een dyslexieverklaring leidt tot aanzienlijke financiële of inhoudelijke voordelen voor de dyslecticus of diens ouder, zal het integriteitsprincipe een issue blijven. Faciliteiten voor dyslecten zullen dan ook strakker gedefinieerd moeten worden.
 
Wat we in ieder geval wel kunnen stellen is dat de integriteit ver te zoeken is in klasse- en schoolsituaties waar sprake is van soms wel 15% of meer dyslecten.
Het veld moet zich dat aanrekenen, maar ook hier zal met een steviger definiëring de maat meer genormaliseerd kunnen worden.
 
Wat we ook kunnen vaststellen is dat in situaties waar de media uitgaat van het aantal dyslecten in Nederland dat overeenkomt met de 4% volgens de prevalentienorm van de Ernstige Enkelvoudige Dyslexie, zij de dyslexiewereld niet begrijpen en dit aantal aangrijpen om een mooi verhaal te kunnen schrijven.
Persoonlijk zou ik er op dit moment voor kiezen om voor het aantal dyslexieverklaringen 8 tot 10% aan te houden.
Pas als we de definiëring beter op orde hebben, kunnen we hier duidelijker standpunten op innemen. Voor nu: laat u vooral niet gek maken door de media.
 
 
Jan Wilgenhof, directeur Berkel-B